Data Sharing Festival en DPP

Mijn bezoek aan het Data Sharing Festival lag eerlijk gezegd een beetje buiten mijn normale comfortzone. Niet omdat het onderwerp niet relevant was, maar juist omdat het daar minder ging over losse wetgeving en meer over de standaarden, afspraken en systemen achter het delen van data en het DPP.

Precies daarom was het voor mij interessant. In mijn werk krijg ik steeds vaker praktische vragen van importeurs en andere economische operatoren binnen de EU. Wat moet je straks doen? Wanneer moet je beginnen? Wat is slim om nu al op orde te brengen, zeker nu nieuwe regels dichterbij komen voor onder meer speelgoed en textiel?

Het festival gaf geen simpel stappenplan, maar wel iets waardevollers: meer inzicht in wat het Digital Product Passport, of DPP, in de praktijk eigenlijk is. En dat wil ik graag delen.

DPP gaat niet alleen over een QR-code

De belangrijkste les van de dag was voor mij dat een Digitaal Product Paspoort (DPP) al lang niet meer alleen gaat over een QR-code op een product. Het gaat over een veel fundamentelere vraag: hoe kunnen bedrijven, ketenpartners, toezichthouders en consumenten straks op een betrouwbare manier productdata delen?

Een DPP is daarbij geen nieuwe database waarin alles opnieuw wordt opgeslagen. Het is eerder een manier om bestaande informatie vindbaar en bruikbaar te maken. Wat ik tijdens het festival steeds hoorde is dat een DPP vooral moet worden gezien als een digitale filter boven op een grotere onderliggende dataset.

Onder de ESPR wordt het DPP neergezet als een manier om informatie over duurzaamheid, circulariteit en andere relevante productkenmerken digitaal toegankelijk te maken. Tegelijk gaat de EU niet uit van één volledig centrale productdatabase. De ESPR-verordening stuurt op een decentraal systeem, met daarnaast een EU-register en een webportaal als centrale toegangslagen.

Veel van de informatie die daarvoor nodig is, is er in bedrijven vaak al. Alleen staat die verspreid over systemen voor productinformatie, inkoop, kwaliteit, certificaten en leveranciersdata. De echte uitdaging is hoe je bestaande informatie zo organiseert dat die voor verschillende doelgroepen bruikbaar wordt, zonder alles dubbel te bouwen.

De kern zit in identificatie en toegang

Wat me ook opviel, is dat de discussie in de praktijk veel meer draait om identificatie en toegang dan om opslag op één plek. In gewone taal: niet alles hoeft centraal te staan.

Maar het moet wel op een logische manier terug te vinden zijn. Daar komen zaken als productcodes, URL’s en batchverwijzingen om de hoek kijken. Juist omdat er ook een EU-register en webportaal komen, wordt het nog belangrijker dat productinformatie goed koppelbaar en vindbaar is via duidelijke product identificatie. De ESPR schrijft ook voor dat het DPP verwijst naar productinformatie op model-, batch- of itemniveau, afhankelijk van wat later per productgroep verder wordt uitgewerkt.

Voor algemene consumenteninformatie kun je vaak nog uitgaan van één productpagina. Maar zodra een toezichthouder of ketenpartner iets op batchniveau wil controleren, verandert dat. Dan moet digitaal ook duidelijk zijn om welk product en om welke partij het precies gaat.

Daarmee wordt meteen duidelijk dat DPP niet alleen gaat over informatie tonen, maar ook over informatie op het juiste detailniveau kunnen aanwijzen.

Meer detail geeft meer waarde, maar ook meer werk

Tijdens het festival werd ook duidelijk dat het verschil tussen informatie op modelniveau, batchniveau en itemniveau belangrijker is dan het misschien klinkt.

Voor algemene productinformatie kan modelniveau vaak prima werken. Maar zodra recalls, markttoezicht, reparaties of circulaire toepassingen belangrijk worden, is meer detail vaak nodig. En meer detail in de data levert niet alleen meer waarde op, maar vraagt ook meer van processen, identificatie en databeheer.

Dat sluit goed aan bij discussies die ook buiten het festival spelen. In CIRPASS-2 wordt bijvoorbeeld expliciet besproken dat model-, batch- en itemniveau elk andere voor- en nadelen hebben. En dat de keuze voor meer detail weliswaar extra mogelijkheden biedt, maar ook meer operationele complexiteit meebrengt.

Dat maakt DPP niet alleen een technisch onderwerp, maar ook een organisatorisch vraagstuk. Het laat zien hoe goed een bedrijf zijn productinformatie echt beheerst.

Interoperabiliteit is het sleutelwoord

Een term die tijdens het festival steeds terugkwam, was interoperabiliteit. Het vermogen van verschillende systemen om met elkaar te praten en dezelfde taal te spreken, zodat data automatisch uitgewisseld kan worden.

Die communicatie tussen systemen is nodig als informatie straks moet bewegen tussen bedrijven, leveranciers, platforms en toezichthouders. Die nadruk zie je ook terug in de ESPR. Daarin is expliciet opgenomen dat DPP-systemen moeten steunen op open standaarden, interoperabele formats en gegevensuitwisseling zonder vendor lock-in.

Tegelijk is duidelijk dat de markt nog volop in ontwikkeling is. Er zijn veel initiatieven en oplossingen, maar nog lang niet alles ligt vast. De richting is helder, de infrastructuur nog niet. Veel product- en sectorspecifieke eisen en standaarden zijn nog in ontwikkeling. Daarom is het onverstandig om nu al te snel te kiezen voor een gesloten of te complexe oplossing, terwijl generieke standaarden en open structuren vaak al een goede basis bieden.

Voor bedrijven betekent dat heel praktisch: werk met logische productcodes, goed gestructureerde data en een opzet die later uitgebreid of verfijnd kan worden. Voeg pas extra complexiteit toe als regelgeving of de praktijk dat echt vraagt. Dat is niet alleen technisch verstandig, maar ook zakelijk de veiligste route.

Wat betekent dit voor bedrijven?

Mijn belangrijkste conclusie is dat bedrijven beter niet met tooling kunnen beginnen, maar met data.

Wie straks aan DPP moet voldoen, heeft weinig aan een mooie QR-oplossing als de onderliggende productdata versnipperd, onvolledig of niet goed gestructureerd is. De basis ligt dus bij het op orde brengen van productinformatie, leveranciersgegevens, batchinformatie, documentkoppelingen en de manier waarop producten digitaal identificeerbaar worden gemaakt.

Die conclusie verandert ook niet door het feit dat er een EU-register en webportaal komen. Integendeel: juist omdat de EU vooral een centrale toegang en registratie organiseert, blijven bedrijven zelf verantwoordelijk voor hun eigen productdata en voor de manier waarop die data beschikbaar wordt gemaakt. Met andere woorden: de EU bouwt niet jouw productdossier, maar verwacht wel dat jouw informatie goed koppelbaar en ontsluitbaar is.

Voor importeurs en andere economische operatoren binnen de EU wordt dat extra belangrijk. Voor hen gaat het straks niet alleen om informatie kunnen tonen, maar ook om informatie kunnen onderbouwen. Het DPP vervangt bestaande verantwoordelijkheden niet, maar maakt juist zichtbaar hoe goed een organisatie haar product- en compliance-informatie op orde heeft.

Ook belangrijk: niet alle DPP-trajecten lopen via dezelfde wet

Een nuance die in de praktijk belangrijk is, is dat niet elk toekomstig “digitaal product paspoort” uit precies dezelfde juridische route komt.

Voor textiel ligt DPP in de lijn van de ESPR en staat textiel in het eerste ESPR-werkprogramma als prioritaire productgroep. Maar de precieze inhoud en ingangsdata moeten nog verder worden uitgewerkt in delegated acts. Een datum als 2027 is daarom eerder een verwachte richting dan een volledig vaststaand eindpunt.

Voor speelgoed ligt dat anders. Daar komt de eis voor een DPP voort uit de nieuwe Toy Safety Regulation, niet uit de ESPR. Die verordening is inmiddels aangenomen, trad in werking op 1 januari 2026 en wordt van toepassing vanaf 1 augustus 2030.

Voor bedrijven maakt dat onderscheid uit. De kernvragen blijven vergelijkbaar, maar de juridische basis en het tempo van invoering kunnen per productgroep verschillen.

Wat kun je als bedrijf nu al doen?

Je hoeft niet te wachten tot alle details van de wetgeving vastliggen. Er zijn nu al een aantal stappen die voor bijna ieder bedrijf verstandig zijn.

Begin met het in kaart brengen van je productdata. Welke informatie heb je al, waar staat die, wie beheert die en wat ontbreekt nog? Kijk daarbij niet alleen naar commerciële productinformatie, maar ook naar leveranciersgegevens, batchinformatie, certificaten, testresultaten en duurzaamheidsdata.

Breng daarna je systemen en databronnen in beeld. Veel organisaties hebben al informatie in ERP-, PIM-, PLM- of kwaliteitssystemen, maar vaak nog verspreid en niet op een manier die makkelijk te koppelen is. Juist daar begint de voorbereiding op DPP.

Denk ook na over je productidentificatie. Kun je producten vandaag al goed onderscheiden op model-, batch- of itemniveau? En sluit dat detailniveau aan op wat je straks mogelijk moet kunnen aantonen voor recalls, markttoezicht of klantinformatie?

Betrek daarnaast je leveranciers en ketenpartners. DPP wordt geen solo-oefening. Een groot deel van de informatie zal uit de keten moeten komen, dus hoe eerder duidelijk is welke data je van wie nodig hebt, hoe beter.

Kijk pas daarna naar tooling en platforms. Een oplossing kan pas echt goed werken als de onderliggende data en verantwoordelijkheden op orde zijn. Wie te vroeg begint met een tool zonder goed datamodel, bouwt al snel iets dat er netjes uitziet maar later moeilijk opschaalbaar blijkt.

Mijn belangrijkste takeaway

Als ik alles terugbreng tot één conclusie, dan is het deze: DPP is geen IT-project en ook geen QR-project. Het is in de kern een datavraagstuk.

De echte opgave zit niet in het maken van een digitale productpagina, maar in het bouwen van een structuur waarin informatie goed georganiseerd, deelbaar, controleerbaar en langdurig bruikbaar is.

Gebruikte bronnen en verdere verdieping